Ga naar de startpagina

Het laatste nieuwsGa naar de verslagenBekijk de komende evenementen in de kalenderGa naar de uitslagenGa naar het discussie forumTrainings tipsLinks naar andere pagina'sMeest gestelde vragen

Nieuws actueel
19 nov 2017
The Authentic Phidippides Run Athene-Sparta-Athene 490 km met Ludo Depoortere
19 nov 2017
Uitslagen weekend 18-19 november
17 nov 2017
NK en WK Skyrunning 2018 met selectieprocedure voor WK
16 nov 2017
Selectiebeleid EK/WK's 2018-2019 voor Nederlandse ultralopers en -loopsters
Nieuws in 2017
Nieuws in 2016
Nieuws in 2015
Nieuws in 2014
Nieuws in 2013
Nieuws in 2012
Nieuws in 2011
Nieuws in 2010
Nieuws in 2009
Nieuws in 2008
* December
* November
* Oktober
* September
* Augustus
* Juli
* Juni
* Mei
* April
* Maart
* 31 mrt 2008: Nieuws item La Roche marathon 1 juni 2008
* 30 mrt 2008: Self Transcendence op zaterdag 5 april
* 29 mrt 2008: De mooiste etappe van de UMT loop
* 29 mrt 2008: Yiannis Kouros loopt 48 uur in Brno.
* 28 mrt 2008: Hele JKM nu op 18/19 april
* 27 mrt 2008: UMT - zoekt op het laatste moment vervanger
* 26 mrt 2008: Nieuwe data JKM
* 26 mrt 2008: Rob van Beurden over aflasting JKM
* 26 mrt 2008: Hoe zo Goede Vrijdag?
* 25 mrt 2008: 50 km bij en met de Brauwerei
* 24 mrt 2008: ‘Kleumende Keniaan’ wint Jaarbeurs Utrecht Marathon
* 24 mrt 2008: Foto's van Rut Zoutman en finish van Wouter Hamelinck
* 23 mrt 2008: Jogger Jo finisht in de Old Mutual
* 22 mrt 2008: Rut Zoutman na 21 uur in Den Helder
* 22 mrt 2008: Tweetal nog onderweg naar Den Helder
* 22 mrt 2008: Belachelijke vertoning
* 21 mrt 2008: Drie lopers eenzaam in de nacht
* 21 mrt 2008: Op het strand is niet te lopen
* 21 mrt 2008: JKM uitgesteld naar latere datum !!!
* 21 mrt 2008: De onmogelijke tocht
* 20 mrt 2008: Een droom wordt werkelijkheid: Erwin en Arjan in de JKM
* 19 mrt 2008: Startveld inclusief estafetteteams JKM 2008
* 18 mrt 2008: Monty Python in Cornwall
* 16 mrt 2008: De UMT komt hierheen
* 16 mrt 2008: Stand Marathon- & Ultracup 2008 na Binnenmaas
* 15 mrt 2008: Bijscholingscursussen over ultralopen
* 15 mrt 2008: Ultralopen Steenbergen op koers (incl. Nederlands kampioenschap 24 uur)
* 14 mrt 2008: Forrest Gump op Texel
* 13 mrt 2008: Het is buigen of barsten voor de RUN
* 13 mrt 2008: Wilco van den Akker en de Yukon Quest
* 11 mrt 2008: Eb en vloed tijdens de Jan Knippenberg Memorial 2008
* 10 mrt 2008: Self Transcendence 100 / 50 km
* 10 mrt 2008: Route en posten Jan Knippenberg Memorial 21/22 maart 2008
* 9 mrt 2008: Stand Marathon- & Ultracup 2008 na Stein
* 6 mrt 2008: Definitieve lijst deelnemers Jan Knippenberg Memorial
* 3 mrt 2008: Spannende strijd tussen Chawawko en Bogár in Stein
* Februari
* Januari
Nieuws in 2007
Nieuws in 2006
Nieuws in 2005
Nieuws in 2004
Nieuws in 2003
Nieuws in 2002
Nieuws in 2001
Nieuws in 2000
Nieuws in 1999
AltaVista
Zoek:
Discussies
Het web


 
NIEUWS van Maart 2008
 


























Achilles01, najaar 2007: p.45-64.

Forrest Gump op Texel

Dirk Jan Roeleven

Terwijl het Nederlands voetbalelftal in juli 1974 in München naast de wereldtitel grijpt, rent Jan Knippenberg solo de zestienhonderd kilometer tussen zijn geboorteplaats Hoek van Holland en Stockholm.
Vijf jaar later vestigt hij een officieus wereldrecord met ‘een rondje IJsselmeer’, vierhonderd kilometer in drieënveertig uur en zevenendertig minuten. Op zijn sterfbed berekent hij dat hij in zijn korte leven zo’n tweehonderduizend kilometer heeft gerend. Vijf keer de wereld rond.
Op zijn Texelse graf staat ‘Lopen is geen sport maar een manier van reizen’. Altijd onderweg, een zwervend bestaan. Elke serieuze marathonloper kent zijn naam. In de wereld van de ultraloop (vanaf vijftig kilometer) is deze pionier een icoon, voor velen zelfs een goeroe. Jan Knippenberg, een van de meest fascinerende topsporters die Nederland heeft gekend, sterft op Texel in de nacht van 22 op 23 november 1995, zevenenveertig jaar oud, aan longkanker.
NPS-programmamaker Dirk Jan Roeleven werkt aan een documentaire over Jan Knippenberg: op zoek naar de bron der dingen, de oerbeweging, de stilte, de essentie.


‘Over enkele minuten meren wij af in de veerhaven van Texel. Wij verzoeken de automobilisten zich naar hun voertuig te begeven… Wir wünschen Sie ein angenehmes Aufenthalt auf Texel.’ In twee talen schalt het over de dekken van de MS Molengat van TESO, Texels Eigen Stoomboot Onderneming. Bij het binnenlopen vernemen we weinig kabaal van Duitsers, maar des te meer het gekrijs van hongerige meeuwen. Het is midden november, off season. Het merendeel van de passagiers woont op Texel en werkt aan ‘de overkant’, zoals dat hier zo mooi heet.
Het is laat in de middag en na het verlaten van de veerboot sturen we de auto meteen bij het stoplicht linksaf naar Den Hoorn om in de plaatselijke SPAR te winkelen. We kopen hier het beste lamsvlees dat we kennen, en genieten van de deskundige bediening, de vrolijke sfeer, het onovertroffen SPAR-logo en de radioberichten die de files op het vasteland melden: ´Bij het knooppunt Rottepolderplein is in de richting Rotterdam de linkerrijbaan afgesloten wegens een ongeval”.
Veertien kilometer file. Heerlijk. Ver weg, aan de overkant. We trekken een gelukzalige deken van eilandrust over ons heen. Vanwege de euforie kopen we te veel lokale Waddenprodukten en trekken verder naar ons tijdelijke verblijf in de bossen. Langs het huis van Jan en Karina Wolkers. Hun bronzen Volvo staat er, de schrijver/schilder/beeldhouwer is thuis. Dan linksaf het bos in, langs Schotse hooglanders, lepelaars en bergeenden. We komen aan in een knus boshuisje aan de Randweg. Uitpakken, loopschoenen aan, draven door de duinen van de Bleekersvallei, naar het brede strand van de Noordzee in ebstand.

Stoppen, diep ademen, rustig rekken en alles ontspannen. Hier moeten voetstappen van Jan Knippenberg liggen. Op elke meter Texel heeft hij een afdruk gezet, dus hier ook. Vooral op het strand, vanaf zijn huis naast de rode vuurtoren van De Cocksdorp, op het noorden van het eiland. Maar ook op afgesloten natuurgebieden waar de boswachters een oogje toeknepen als ze Jan met zijn hond in de verte zagen draven. Jan deed immers geen vlieg kwaad. Jan liet je met rust. Jan ging zijn eigen gang.
Jan Knippenberg was verslaafd aan lopen en bezeten van de natuur. Naast het langdurige lopen voer hij maanden met zijn kajak op Spitsbergen en leefde hij tussen de rendieren in Schotland. ‘De uitverkorenen (of vervloekten) zijn als door de duivel bezeten. Zij horen de roep en moeten daaraan gehoor geven’, vond hij. Het fascinerende aan Jan Knippenberg vinden wij dat hij geen geïsoleerde zonderling was. Hij was gewoon getrouwd, had twee zonen en een fulltimebaan als geschiedenisleraar, eerst in Castricum, later op Texel. Wel een frik, maar geen freak.

Hij liep hard, gaf les en schreef. Gedichten, bevlogen columns voor Runner’s World en uiteraard zijn magnum opus De mens als duurloper. Dit slechts in antiquariaten nog vindbare boek heeft inmiddels in kringen van hardlopers de cultstatus bereikt. Zo is het voor Luc Krotwaar, ‘de witte Keniaan’, een Bijbel die naar verluidt op zijn nachtkastje ligt.
Met name door zijn schrijverij zijn wij in de ban van Knippenberg geraakt. Poëtisch, mystiek, dwars, eigenaardig, filosoferend. Deed ons een beetje aan Jack Kerouac denken, vanwege de ongepolijste stijl en de onbezonnenheid waarmee hij zich in avonturen wentelde.
Cameraman Arjan Kroon en ik zijn op Texel om research te doen voor een documentaire over deze man. Zonder opdracht, zonder zendgemachtigde, zonder budget, puur omdat we gepassioneerd zijn. Beetje zoals Knippenberg zelf eigenlijk. Die ook wedstrijden liep die niet bestonden. Hij vond ze zelf uit, zoals de Zestig van Texel die hij in 1991 begon, zeven jaar nadat hij op Texel was gaan wonen. Die wedstrijd bestaat nog steeds. Ook een versie van honderdtwintig kilometer. Uiteraard bedacht en zelfs tijdens zijn ziekte nog gelopen door Jan Knippenberg zelve. Het loopevenement heeft inmiddels officiële internationale status verworven.

We zoeken op dit eiland naar de ziel van hardloper Jan Knippenberg, een sportman die niet alleen heel hárd kon lopen, maar vooral ook heel láng. Hij liep altijd uren, nooit minuten. In zijn eentje of met zijn running mateRon Teunisse, die hij ‘De laatste Mohikaan’ doopte. Vanwege zijn lange blonde manen en ruige kop, maar vooral omdat hij net als Jan Knippenberg hardlopen als een manier van voortbewegen beschouwt, ingebed in het dagelijks leven, bijvoorbeeld om van huis naar werk te komen. Geen in kleurige strakke pakjes gestoken Vinex-hobby.
Teunisse en Knippenberg hebben elkaar begin jaren tachtig ooit toevallig ontmoet in de duinen van Castricum toen ze allebei richting IJmuiden renden. De een (Teunisse) was op weg naar zijn werk als psychiatrisch verpleegkundige in Santpoort, de ander (Knippenberg) liep na zijn werk als geschiedenisleraar aan het plaatselijke Bonhoeffer College. Ze liepen gelijk op en herkenden de natuurloper in elkaars passen. De twee solisten raakten aan de praat, het klikte en ze zouden duizenden kilometers samen gaan lopen. Vaak ook ’s nachts.

In De Mens als Duurloper lezen we dat Teunisse dan in Castricum bij het huis van de familie Knippenberg langs ging en een steentje tegen het slaapkamerraam gooide.
“Jan, ga je nog mee?”, fluisterriep Teunisse dan.
Er lag sneeuw en het was volle maan. Dan liepen ze soms vier of zes uur aan een stuk door. Ze kwamen langs de oude villa waar Gorter delen van zijn gedicht Mei heeft geschreven. Ron Teunisse citeerde dan Gorter om middernacht. ‘Twee jonge goden over zee genaakten, wedijverend, met flikkerende voeten’.

Morgen zullen we hier op Texel Ron Teunisse ontmoeten bij Jan’s echtgenote/weduwe Hanna Knippenberg thuis. Ze heeft een uitnodiging gestuurd aan vrienden en familie om met een Memorialdag haar tien jaar eerder overleden geliefde te gedenken. Om elf uur is er koffie aan de Vuurtorenweg. De invitatie bevat een tekst van Jan Knippenberg (naar Alan Sillitoe, auteur van The loneliness of the Long Distance Runner): ‘Als je er genoeg van hebt, je op een vorstige morgen goed te voelen als de eerste mens op aarde en als je geweten hebt hoe het is je rot te voelen als de laatste mens op aarde op een zomermiddag, dan zul je tenslotte als de enige mens op aarde zijn en geen donder meer om goed of slecht geven, maar gewoon verder lopen op je eigen hardloopschoentjes, die kletsen op de goede en droge grond, die tenminste nooit een rotstreek met je zullen uithalen’.

De volgende ochtend rijden we al vroeg over het eiland van Jan Knippenberg. Voordat we naar de Memorial gaan bij de vuurtoren op het uiterste noorden van het eiland, rijden we een stukje zuidelijk via de Pontweg naar de Begraafplaats der Georgiërs, zoals dat op de landkaart van Texel plechtig staat aangegeven. De plek is bij een groep bomen op De Hoge Berg, een heuvelrug van keileem, in de voorlaatste IJstijd ontstaan en behorend tot de oudste stukjes Noord-Nederlandse grond. In die tijd liepen hier rendieren over de toendra van de drooggevallen Noordzee.
Jan Knippenberg ligt begraven op het kerkhof naast de erebegraafplaats van de in WO II gesneuvelde Georgiërs. Het houten hekwerk is smetteloos wit geschilderd. Aan de linkerkant staat ‘Ook U’ en rechts staat: ‘Wacht Ik’. De macabere spitsvondigheid dringt niet meteen tot ons door, maar de hele zin ‘Ook U Wacht Ik’, als welkomsttekst van een begraafplaats verdient wat ons betreft een prijs.
Achteraan, tegen de bomenrand, is het graf van Jan Knippenberg. Een peddel van een kajak, afgetrapte bergschoenen en verweerde loopschoenen liggen verdekt opgesteld tussen de planten op het graf. Op een mooie bronzen grafsteen wordt de rennende figuur vergezeld door zijn bordercollie. Ernaast de tekst: ‘Lopen is geen sport, maar een manier van reizen’. Het zijn de eerste regels van het citaat dat het omslag siert van De mens als duurloper. Het volledige citaat luidt: ‘Lopen is geen sport, maar een manier van reizen, waarbij geest en lichaam zich voortdurend verplaatsen. Lopen is daarom kunst en geen middel ter bestrijding van welvaartskwaaltjes’.

Typisch Jan Knippenberg, de man die hardlopen niet als een wedstrijd zag, maar als een manier van voortbewegen. Iemand die niet op tijden en polsslagen lette, maar op de natuur onderweg. Een zwerver, een moderne nomade. In zijn columns heeft hij ons geraakt met zijn pleidooien voor vrijheid van denken en handelen. Onafhankelijk, tegendraads, eigenwijs. Een zoeker die tot aan Spitsbergen ging in een kajak en die rende met de rendieren in Schotland. Zo’n man die je niet dagelijks ontmoet, behalve dan in zijn stukken.

Jan Knippenberg begon op zijn twaalfde met hardlopen. Blootvoets op het strand bij Hoek van Holland. Hij had vanuit huis een Engelse militair uit een nabijgelegen kazerne zien langsrennen. In het laatste interview voor zijn dood, met Kees Kooman voor Runner’s World, zegt hij daarover: ‘Hij had een bepaalde stijl en dat trof mij toen. Ik weet nog steeds zeker dat dat het moment is geweest waarop ik dacht: verdomme dat wil ik ook! Die man had een zekere uitstraling: misschien was het wel vrijheidsgevoel of onafhankelijkheid. We spreken over 1960’.

De kleine Knippenberg blijkt talent te hebben. Hij loopt op 1 juli 1969 clubrecords bij zijn atletiekvereniging in Maassluis en komt uiteindelijk in de nationale atletiekselectie. Dat gaat met horten en stoten, want Jan is een anarchist die zijn eigen plan trekt. Die bijvoorbeeld tien dagen voor een kwalificatiewedstrijd over dertig kilometer besluit mee te doen aan een wandelwedstrijd over honderd kilometer, die ook ‘s nachts doorging. Of die even vanuit Hoek van Holland in Vlaardingen-Oost een brief gaat posten. Heen en weer zo’n veertig kilometer.

In 1971 moet hij de nationale selectie verlaten wegens ernstige rugklachten. Twee jaar later trekt hij er met een tentje op uit om in Schotland wedstrijden hillrunning te gaan doen. Dat zijn recordpogingen over zeventig, tachtig kilometer, dwars door de heuvels. Daar wint hij wat geldprijsjes (vijfenzeventig gulden voor een tweede plaats) om zijn vakantie te kunnen betalen. Later ging hij solorecords vestigen in de Schotse bergen. Dan stempelt hij af op een politiebureau, loopt door onherbergzaam gebied - niet zelden in de sneeuw - de berg over, en stempelt aan de andere kant bij de politie weer af. Zo loopt hij in 1973 in zijn eentje van Aviemore naar Braemar, een afstand van achtenvijftig mijl, zo’n negentig kilometer. Hij wordt daarna lokaal ‘The Flying Dutchman’ genoemd.

Tegen Kees Kooman sprak Knippenberg in zijn afscheidsinterview over deze tocht: ‘Het was een gebied dat zich maar met één woord laat omschrijven: unheimisch. Je hoort de wind ruisen, het is donker, en je moet hoger en hoger. Het ging sneeuwen, ik had een bril op en kon het eten en drinken dat ik een dag eerder had klaargelegd natuurlijk nooit meer vinden. Maar het was prachtig, een van de mooiste ervaringen in mijn leven. Met een beslagen bril klim je steeds hoger, je ziet niets meer, want je loopt letterlijk in de wolken. Nou dan word je toch wat angstig, je kunt je enkel breken. Het is echt niemandsland. Dan daal je rustig af en voelt, naarmate je dichterbij de beschaving komt, langzaam de spanning van je afglijden’.

Dat jaar klopt hij aan bij de Laplander Mikel Utsi die in Schotland rendieren houdt. Hij zegt uit Holland te komen en geïnteresseerd te zijn in rendieren. De Laplander kijkt hem aan en vraagt of hij die Hollander is over wie hij in de krant had gelezen. Die hardlopend de bergpas is overgestoken. Hij zegt tegen Knippenberg dat hij sneller is dan een rendier en vraagt hem binnen.
Knippenberg, vlak voor zijn dood: ‘Dat was een van de mooiste complimenten die ik ooit over mijn lopen heb gekregen. En dat ik met dat natuurmens kon communiceren heeft mij meer erkenning gegeven dan wat dan ook’.

Mikel Utsi vraagt Jan om voor hem te komen werken, want om zoekgeraakte dieren op te sporen heeft hij ´een loper als een rendier´ nodig. De volgende dag wordt Knippenberg erop uitgestuurd met Henry, de rendierstier. Het gewei is voor alle zekerheid afgezaagd. Vast aan een touw volgt Knippenberg het nukkige beest over de hellingen, op zoek naar de wijfjes. Hij schrijft hierover: ‘Hij heeft me opgejaagd vandaag, zonder mededogen. Op zoek naar de rest van zijn kudde. Langs steile hellingen omhoog en nog steilere omlaag volg ik een nomade. In opdracht van een andere
nomade’.

Het is een hoogtepunt voor de man die eindelijk voelt hoe het is om zelf nomade te zijn. Als hij ’s avonds terugkeert, staat Mikel Utsi hem op te wachten. Hij lacht en zegt dat hij wist dat hij terug zou keren. Hij wilde hem testen. Knippenberg is cum laude geslaagd want bij het avondeten (rendiervlees) wordt hij gevraagd voor de Laplander te komen werken. Knippenberg denkt erover na, maar besluit voor zijn gezin en zijn baan te kiezen.

Op zijn sterfbed vertelt hij: ‘Het is altijd mijn ideaal gebleven. Als ik morgen zou kunnen en het zou goed zijn met mij, zou ik met mijn hele gezin naar de rendieren willen vertrekken. De geur van rendieren kan ik zo oproepen. Ik heb weleens geschreven dat die oergeur de essentie van het leven is. De geur, het landschap, het simpele bestaan. Ze herkenden mijn roep. Dan bleven ze staan. Dan was ik geen westerse mens meer, maar een nomade of die Laplander. Dat je met het onweer achter je aan met een kudde van 120 beesten instinctmatig de bergen af racet. Je dendert mee, gaat honderd keer op je gezicht. Dan ben je zelf een rendier. Dat is het ware hardlopen. Eenvoud. De essentie. Op deze manier lopen brengt je terug bij je roots. Langzaam maar zeker herstellen de eigenschappen, zoals natuurmensen en nomaden die hebben.’

Een jaar na zijn Schotse avonturen, in de zomer van 1974, doet Knippenberg iets dat, zeker in die jaren, volstrekt buiten proporties is. Hij loopt in zijn eentje (met een klein begeleidingsteam) van Hoek van Holland naar Stockholm. Zestienhonderd kilometer. Hij schrijft in zijn boek De Mens Als Duurloper: ‘Weer op zoek naar mezelf, maar tevergeefs. Bijna drie weken lang, bijna negentig kilometer per dag. Op wegen met een niet aflatende stroom van blik, voertuigen met daarin mensen die je afgunstig, maar soms ook wantrouwend, bekeken en je zo de lust tot lopen trachtten te ontnemen. Het is ze niet gelukt.’

Het was een uit de hand gelopen grap, schrijft Knippenberg. Een weddenschap om aan te tonen dat er leven moest zijn na de marathon. ‘Loop voor mijn part naar Lapland’, hadden ze hem een keer gezegd. Dat is hij toen maar gaan doen. Als een expeditie.
Dorpsgenoot Fred van den Bergh was erbij als fysiotherapeut en kende Knippenberg al vanaf zijn vijftiende: ‘Hij vroeg op een dag of ik meeging naar Stockholm. Drie weken zei hij. Bleek het lopend te zijn. Het werd steeds gekker en groter, maar ik ging met hem mee.’
De latere wegatletiekbondscoach en dorpsgenoot Wim Verhoorn herinnert zich: ‘Jan was een hele aparte, een buitenbeentje. Hij wilde verder dan de marathon, hield niet van lopen op de weg, zocht altijd het strand. Hij had een hekel aan lopers die altijd maar op hun klokkie keken. Als Jan liep, keek hij om zich heen. En constant ouwehoeren. Over alles liep hij te filosoferen. Het ging alle kanten op, hij hield nooit zijn bek dicht. Vaak over politiek. Hij was zo rood als een kroot. Wond zich vreselijk op over de Amerikanen in Vietnam. Zijn loopstijl was houterig. Maar heel snel. Hij liep vanuit de knie. Met spillebenen. En hij vrat als een wolf’.
Ron Teunisse: ‘Je kon door hem heen kijken, zo mager was hij. Hij woog drieënzestig kilo en was 1.87 meter lang. Ik ben 1.83 meter en woog tachtig kilo.’

In Hoek van Holland loopt het hele dorp uit als in 1974 het gezelschap naar Zweden vertrekt. De politie regelt het verkeer en begeleid door een Volkswagenbusje begint Jan Knippenberg aan zijn ‘expeditie’. Loopmaatje Frans van Leeuwen uit Hoek van Holland: ‘Je moet niet vergeten wat hardlopen in die tijd voorstelde. Helemaal niets. Wie liep, was gek. Men schreeuwde je na. Men liep naar de ramen om je te bekijken als je door een woonwijk liep. In een sportzaak waren hooguit vier verschillende schoenen te krijgen. Over dat tijdsbeeld hebben we het, hè.’

Na Ootmarsum scheidt Jan Knippenberg zich tijdelijk af van zijn begeleiders. Zij nemen de grensovergang met douane, hij gaat over een sluipweggetje en treft ze weer in Duitsland. In München verliest het Nederlands elftal de WK-finale als Jan Knippenberg door het noordelijke deel van het land loopt. Vervolgens heeft hij bijna ruzie in een stampvol chauffeurscafe waar dronken Duitsers zingend de wereldtitel vieren en de Nederlanders een lesje willen leren. Knippenberg nodigt ze uit om mee te lopen.
Onder politiebegeleiding lopen ze door Hamburg, zelfs door een autotunnel. Het verkeer brult en de bestuurders lachen hem uit. Omdat hij zich geen wandelaar waant, maar een hardloper, kiest Knippenberg de snelwegen als loopgrond. Rakelings scheert een auto langs. Hij voelt de wind langs zijn benen. Knippenberg schrijft: ‘Het maakt je oplettender, nog oplettender, want wie vier remmen heeft, waant zich al snel koning van de weg. En dat ben ik toevallig al. Zo ga je je voelen. Hautain tegenover de eenvoudige lieden die zich rollend verplaatsen. Stumpers. Dat denken zij misschien ook.’

In Zweden is het noodweer. Knippenberg beschrijft hoe hij niets meer ziet als gele koplampen hem verblinden in de regen. Zijn benen doen zeer, het rechterbeen trekt. Maar als de Zweedse televisie naast hem rijdt met een camera op het dak doet hij net alsof er niks aan de hand is. ‘Mager en taai’, schrijft men de volgende dag in de krant. Hij wordt vergeleken met Jansson, de Zweedse marathonloper die op de Olympische Spelen van Helsinki achter winnaar Emil Zatopek een bronzen medaille won. Jan schrijft over Jansson: ‘Ascetisch type. Zou die ook zo gek zijn geweest?’
Na de publiciteit wordt Knippenberg van de snelweg gehaald door een motoragent. Hij moet de veel mooiere Gamla Vägen nemen waar het weinige verkeer hem op eerbiedige afstand passeert. Zijn fysieke klachten nemen toe: ‘Mijn bovenbeen kraakt. Vochtvorming rond de spieren. Uitkijken geblazen. Hoe krijg ik die ellende weg. Niet nadenken. Het is nog maar 320 kilometer. De Zweden zouden het mooi vinden als ik tijdens de Julispelen het oude Olympische stadion ’s avonds laat zou binnen lopen, maar zo wordt het niks. Een gemiste kans. Dan maar een dag later. Jammer, want binnen komen in het mekka van het atletiekestablishment tijdens een eredienst, doet de ware arbeider van de weg goed. Als profeet van het in hun ogen onzinnige, het onbekende. Johannes de Loper.’
Knippenberg doet bijna drie weken over zijn tocht.

We verlaten het graf van Jan en op weg naar zijn woning onder de markante vuurtoren van De Cocksdorp passeren we de middelbare school OSG De Hogeberg in Den Burg. Hier gaf hij geschiedenisles. Rector Henk de Vries loopt mee door de verlaten gangen naar lokaal 16.
‘Hier stond hij voor de klas. Praatte altijd luid en duidelijk. Hij was heel collegiaal en erg populair bij leerlingen en ondersteunend personeel. Je kon erg met hem lachen, hij had aan alles maling. Het was wat je noemt een prettig gestoorde leraar. Heel onconventioneel. Politiek extreem links, hij had destijds maoïstische sympathieën. Kwam altijd zeiknat op school aan, in zijn hardloopplunje. Had ie dik twintig kilometer gelopen vanaf huis. Dan nam hij een douche en ging lesgeven.’

De combinatie van lesgeven en trainen voor ultralangeafstandslopen is lastig. Knippenberg beschrijft in zijn boek het zelfopgelegde regime in de wintermaanden van 1979, toen hij trainde voor zijn vierhonderd kilometer lange recordrace rond het IJsselmeer: ‘In februari was het “crash program”. Sneeuw en ijs konden me niet deren. Gekkenwerk. School eist me op en dan toch honderd km per dag. Testen, zeven dagen lang. Zevenhonderd kilometer… ’s Morgens voor de klas tot twee, drie uur en dan op weg. In de ban van de opdracht. Verdomme, als ik dit kan, kan ik alles.’

In het klaslokaal, waar niets meer herinnert aan de vroeg gestorven leerkracht, vertelt De Vries: ‘Ik weet nog dat hij af en toe weddenschappen om een stuk taart sloot met leerlingen uit De Cocksdorp. Wie het eerste op school was. Zij op de fiets, of hij rennend. Hij won altijd.’
Rector De Vries bezocht zijn zieke collega in het Helderse Gemini-ziekenhuis waar Knippenberg een kamer had op een van de bovenste verdiepingen. Met uitzicht op de vuurtoren en de dijk. De Vries herinnert zich: ‘Zat ik daar aan zijn bed. Wees hij jankend naar de dijk. Zei: “Daar loop ik nooit meer”. Hij was heel verdrietig en terneergeslagen, maar ook berustend op zijn sterfbed.’

In een column voor Runner’s World beschrijft Knippenberg het sterfbed waarin zijn lichaam lag met longkanker: ‘In het ziekenhuis krijgt Utopia een andere dimensie. Ik hoor geen vogels en ik ruik geen ochtenddauw. Ik hoor het gekuch van mensen met longkwalen. Gerochel, gepiep, ademhalingsverruimers, blazen in trechters. Het is de anti-wereld der hardlopers. Geen VO2-max, maar gebrek aan zuurstof. Hier ligt de wereld niet aan je voeten, maar knaagt Magere Hein aan je poten. […] Zuster Carla neemt de temperatuur op. Koorts heb ik nooit. Ik kan zelfs nog lopen. Pas nog honderd kilometer met Ron en vorig jaar honderdtachtig in Ierland. De artsen begrijpen het niet. Ik helemaal niet. Ik wil lopen, niet liggen. Eruit. Tegen beter weten in. In het park vanmiddag stiekem, kleine jongen, drie kilometer hardgelopen. Ik ben hoofdrolspeler in een film waar ik buiten sta. En toeschouwer. Artsen vertellen een onmogelijk verhaal.’

We verlaten de school en zetten koers naar De Cocksdorp, om precies te zijn naar de Vuurtorenweg, een dikke kilometer ten noordwesten van het minidorpje. We passeren onderweg het vliegveldje waar parachutisten aan boord gaan van een Cessna. Links zien we de duinen van De Slufter, het natuurgebied waar zout zeewater het zoete land intrekt. Het is de grond waar Knippenberg jaren heeft gelopen. Alleen, met zijn hond. Alleen, met zijn ziel. Alleen, met zijn gedachten. Man op reis. Waarheen? Waarom?

De ontvangst door Hanna Knippenberg in het lichte huis naast de rode vuurtoren is hartverwarmend. Hanna is een blonde vrouw van midden vijftig. Charmant, welbespraakt, verzorgd uiterlijk. Ze is opgewonden over de komst van haar vrienden en familieleden met wie ze vandaag de tiende sterfdag van haar man ‘viert’. We staan in de keuken met zeezicht. Een grote perculator zet koffie. Plakjes gesneden cake liggen klaar op schalen. Een paar pannen erwtensoep staan op het fornuis alvast klaar voor vanmiddag. Bier, rode en witte wijn, zoutjes, plakjes worst, blokjes kaas. Ze rekent op een mannetje of veertig. Het voelt als een doorsnee verjaardagsfeestje. Alleen de jarige ontbreekt.

We krijgen een snelle rondleiding door het huis uit de eerste helft van de vorige eeuw. Grote ramen met uitzicht op zowel de duinen als op het wad. Hier vlakbij vertrekt de zomerse veerdienst naar Vlieland. Het strand ligt er ruig bij. Er is zon en wind.
We volgen Hanna naar boven, naar de werkkamer van haar man. Een volle, ruime kamer met een groot bureau in het midden en tegen alle wanden kasten met ordners, historische en literaire boeken, dichtbundels, tijdschriften, videobanden, ingelijste foto’s, medailles, krantenknipsels, vaantjes en bekers. Vrijwel volledig in tact gelaten na zijn dood in de nacht van 22 op 23 november 1995.
Hanna is bezig de nalatenschap van Jan te ordenen. Hij heeft alles keurig in mappen gedaan, maar het is veel wat hij heeft geschreven en bewaard. Ze weet nog niet precies wat ze met de stukken van Jan gaat doen, maar een heruitgave van het alom uitverkochte boek De mens als duurloper lijkt haar een goed idee. En ze denkt over het bundelen van zijn columns.

Zijn grote stalen typemachine staat nog in de aanslag. Klaar voor gebruik. ‘Jan hield niet van computers’, vertelt Hanna. ‘Hij kon er niet mee overweg. Alles deed hij op deze ouderwetse schrijfmachine. Tot de laatste snik. Hij had de Tipp-Ex nog op zijn vingers bij zijn overlijden.’
Ze zwijgt en laat ons rustig rondkijken. Een droomplek om te werken. Stil, met uitzicht op strand, duin en zee. Op het houten bureau ligt een rode ordner met een eigen gedicht op het omslag geplakt. We lezen het heldere handschrift:

Lopend op de heuvels
Soms in zand en zon en wind
Als metgezel mijn adem
Voel ik me als een kind
Onwetend, vrij en onvermoeid
Dromend, rennend
Zijn kilometers slechts een vrolijk spel
Zo ver mijn voeten dragen
Loop ik op de vlakke weg
Dun gekleed
In weer en wind
De wolken na
Mijn benen moe

Hanna doorbreekt de stilte. ‘Dit was zijn universum. Hier trok hij zich terug en zat hij dagen te werken, te lezen, te studeren. Hier was hij op zijn gemak. Buiten was hij onrustig. Ik was zijn rustpunt, zorgde ook dat alles in huis reilde en zeilde. Dat zei hij ook voor zijn dood: “Ik kon alles doen en jij zorgde dat alles hier liep”. Maar ik was ook weleens blij als hij een tijdje weg was hoor. Of ik stuurde hem naar buiten om te gaan rennen. Want Jan was heel vermoeiend natuurlijk. Dan had ik even rust. Verder was het een heel gevoelige man. Een nerveuze romanticus die niet tegen dat macho gedrag van die wedstrijdlopers kon.’ Ze neemt een adempauze en zegt dan: ‘Blijf hier maar even op je gemak lezen, dan ga ik naar beneden want ik hoor de eerste gasten al’.
We blijven alleen achter, zittend op de bureaustoel van Jan Knippenberg. We pakken het logboekje uit 1979 dat hij bijhield in de voorbereiding van zijn recordtocht langs het IJsselmeer. Met grote ogen van verbazing lezen we de notities van een geschiedenisleraar over zijn training in april 1979.

Maandag 2 april. Vrij van school, 45 km + 45 km + 10 km. Ongeveer 8.30 uur gelopen. Dinsdag 3 april. School, 100 km in 8.30 uur, 25 km in de avond, moet me dwingen om door te lopen. Woensdag 4 april. School, doodmoe, 12 uur vrij, ga toch, dorst. 80 km, 6.30 uur. Donderdag 5 april. School, plan 45 km, daarna 2 keer 20 km. Elf uur ’s avonds klaar, na nog 10 km extra. Raak in de ban het vol te houden. Twee levens te leiden. Vrijdag 6 april. Begin vakantie, 4 x 25 km. Hond Witte mee. Vossen gezien. Totaal 8.20 uur looptijd. Vooral nu voel ik me een oude zwerver. Zaterdag 7 april. Kan wel blijven lopen, voel me prima, 5.30 uur. Ga laatste deel zelfs hard. Euforie? Gevallen over boomstronk. 9.30 uur gelopen in totaal. 110 kilometer. Zondag 8 april. Naar Friesland. 120 km, last van rechterbeen, af en toe erg moeilijk, begin het te voelen, onwezenlijk gevoel 700 km, naast mijn werk. Voldoening.

Met een diepe zucht leggen we de notities terug. Bedenk dat we al blij zijn zelf ooit een marathon te hebben gelopen binnen vier uur. Om te kijken hoe dat rennen rond het IJsselmeer destijds is verlopen pakken we De mens als duurloper erbij, dat brandschoon in de stampvolle boekenkast staat. Op pagina 210 lezen we dat de start wegens de enorme hitte is verplaatst naar middernacht. Jan blijkt driftaanvallen te hebben tegen zijn begeleiders als ze bijvoorbeeld te dicht bij hem komen. Overdag is het in Urk zevenendertig graden. Bij honderdtachtig kilometer vraagt hij zich af of het verantwoord is verder te gaan. ‘Ging het maar regenen, niet te hard, zacht. Een sluier van regen en dan die geur van in bloei staande gewassen. Niets ter wereld doet een mens beter lopen. Dit is Hitte. Meer niet. Ik kan er tegen, lijk er in te gedijen. Half Nederland ligt plat. Waarschuwingen om niet teveel in de zon te komen en “u vooral niet in te spannen”.’

De maandag na het geslaagde ‘rondje IJsselmeer’ belt een journalist van het Algemeen Dagblad met de ‘waarom’-vraag. Knippenberg schrijft: ‘Waarom? Altijd waarom? Ik waarschuw hem dat dat niet kan. De loop is het antwoord. Besloten in. Meer niet. Hij had zijn verhaal al klaar, maar moet het nu veranderen. Het beeld was al gevormd. Freak of vreemdeling. Masochist of verslaafde.’ Even verderop schrijft hij: ‘There is no point in setting out a place one is almost certain to reach. Pionieren, grenzen verleggen voor jezelf en voor anderen. Records bestaan niet, slechts de inspanning telt. Wat je meemaakt. De ervaring. De grens. Een merkteken op de weg naar de volmaaktheid. Geen cijfer, maar een teken van bekwaamheid. Een nomadisch teken. Een beeld van een loper, die nooit stopt, die voortijlt tegen de tijd in. Een chronometer. De tand des tijds. Ultralopen is bergbeklimmen. Een expeditie. Het ontstijgt de sport. Vakbekwaamheid. Kunst. The art of running is geen middel tegen welvaartskwaaltjes.’
We sluiten het boek. Fascinerend hoeveel fanatieke navolgers dit boek heeft gekregen. Het lijkt voor gretige leerlingen op een toverformule. We leunen even achterover en beseffen dat hier, in deze ruimte, al die columns zijn geschreven, en de hoofdstukken uit de cult-bijbel. Een volle werkkamer met zeezicht.

Voor ons ligt een boekje dat Een bonk macht heet. Ondertitel: Ongewone interviews over topsport. Gesprekken met onder meer Freek de Jonge, Gerard Nijboer, Maarten Ducrot, Hans van Breukelen en Jan Knippenberg. Het gaat over zen en zo. Aan het einde van het interview met geschiedenisleraar Knippenberg vertelt hij de volgende anecdote: ‘Laatst waren we bij intellectuele vrienden op bezoek. Eén is net hoogleraaar geworden, de ander is het al een tijdje. “Waarom ben jij niet gepromoveerd en heb je geen carrière gemaakt?”, vroegen ze. Ik wees naar het strand, de duinen en de zee en zei: “Dít is mijn carrière!”’.

Mooi moment om naar beneden te gaan. Kijken of er al mensen zijn die ons meer kunnen vertellen over de drijfveren van deze man. Waarom doet iemand dit zichzelf aan? Heeft dit nog met sport te maken?
We maken kennis met zijn zoon Mikel. Genoemd naar de Laplander Mikel Utsi. Hij was vijftien toen hij zijn vader verloor. ‘Jan zocht de ultieme vrijheid.’ Zijn moeder Hanna vult aan: ‘Hij liep om zijn gedachten tot rust te brengen. En hij liep zo ver omdat hij erkenning zocht voor waar hij mee bezig was.’

Een man met een leren jas en een krachtig, gegroefd gelaat met blonde manen komt binnen. Een soort oermens. Dat moet De Laatste Mohikaan zijn: Ron Teunisse, houder van Nederlandse records op de 12 uur (147.9 km), 24 uur (261.5 km) en de 100 Engelse mijl (13 uur 54 minuten). Bovendien de man die in 1988 binnen dertien dagen twee wedstrijden van tweehonderdvijftig kilometer liep en op beide afstanden als tweede eindigde. Een monument dus.
We maken kennis en gaan de drukke keuken uit, naar buiten. Het is lekker koud, zonnig en winderig. Teunisse neemt ons mee een stenen trap af naar een soort bunker onder het huis. We geloven onze ogen niet. Hier liggen alle hardloopschoenen van Jan Knippenberg opgetast. Minstens een meter hoog en een halve meter breed. Alles versleten. ‘En dan te bedenken dat hij ook nog het liefst op blote voeten liep, hier aan zee.’ Teunisse lacht: ‘Hij heeft tweehonderdduizend kilometer gelopen. Dat is vijf keer de aarde rond.’

In zijn boek schrijft Knippenberg over zijn oude schoenen: ‘Ik kijk nooit meer om naar die oude schoenen, hoewel ik heel goed weet dat ze er zijn. Ze verdienen hun rust zoals oude krijgers na een jachtig leven.’ En in zijn afscheidsinterview met Kees Kooman zegt hij: ‘Ja, waarom doe je het? Ik vraag mij nu ook af waarom ik al mijn schoenen heb bewaard. Is het eeuwigheidswaarde? Wat is eeuwig? Daar kom ik nu ook achter. Wat is de eeuwigheid waard? Over honderd jaar weet niemand meer van onze escapades af. Ik heb weleens het beeld geschetst van de boodschapper die in de Middeleeuwen te voet op zoek naar de heilige graal is. Ik weet niet met wie ik me het meest verwant voel: de boodschapper of de jager? En ik weet niet of ik die “heilige Graal” wel heb gevonden. Ik was er nog steeds naar op zoek. Je blijft je hele leven zoeken. Het op weg zijn. Het doel, heb ik weleens gezegd, is de beweging zelf.’

Ron Teunisse : ‘Het is onsterfelijkheidsdrang. Jan was een gecompliceerde man met een groot ego. Hij wilde zich bewijzen. Zich manifesteren. Een standbeeld voor jezelf oprichten. Maar ook proberen los te komen van het denken. Los van de neuroses en banden die knellen en je verstikken. Maar bij Jan, die een onzeker mens was, speelde ook mee dat hij die angst door het lopen wilde bezweren. Het gekke is dat hij bang was voor alles, maar wel met een vriend in een kajak naar Spitsbergen ging om twee maanden op de Noordpool te varen.’
Teunisse wijst ons op de drie kajaks die in de bunker naast de versleten loopschoenen van Knippenberg liggen. Er staat verder nog een oude racefiets, er liggen geweien van rendieren en skeletten. We verlaten de donkere, vochtige ruimte en werpen nog een laatste blik op de stapel loopschoenen. We zeggen Ron dat we ook een paar oude schoenen op zijn graf hebben zien liggen. Hij kijkt ons aan: ‘Dat zijn oude schoenen van mij. Heb ik daar uit respect voor Jan neergelegd. Ik mis die ouwe, weet je.’

In de woonkamer is het inmiddels een drukte van belang. We raken in gesprek met de buurmannen. Zij hebben de laatste dagen van Jan Knippenberg intensief meegemaakt. Boswachter Piet Postma: ‘We hebben hem tijdens zijn laatste loop gefilmd. Dat was heel emotioneel. We gingen om zes uur ’s ochtends in De Slufter lopen. Dat was zijn lievelingsgebied. We hebben met zijn allen staan janken. Ik heb op de film nog geluid staan toen we dachten dat de camera was gestopt. Dan zie je niks, maar hoor je Jan vloeken: “Jezus, klote dat het zo moet aflopen…”’

Knippenberg over zijn aftakeling in Runner’s World van oktober 1995: ‘Het eiland is een verademing. Na de beslotenheid van het ziekenhuis en de hitte van de stad loop ik in alle vroegte langs de zee. Als vanzelf, maar nimmer zal het zijn zoals het was. Blootsvoets ja, maar de afstand is schrijnend en het tempo evenzo. Toch loop ik en de vroege golven spoelen over mijn voeten. De bonte hond, die ook niet begrijpt waarom de kilometers steeds korter worden, rent als een bezetene achter iedere vogel aan. [….] Een paar dagen later gaat het moeizamer. Hoge luchtvochtigheid beneemt mij de adem. Met de neus op de feiten. De cortisonen beginnen hun uitwerking te krijgen. De kracht vloeit met de dag uit m’n benen. Hard gelag en een mentale dreun. Later, pas later worden ze afgebouwd en neemt de kracht toe. Zeggen de doktoren. Ik vloek. Slappe poten. Een loper met slappe poten is geen loper.’

Een collega-docent van Knippenberg uit Castricum, Kees Olsthoorn, vertelt aan de keukentafel: ‘De dag voor zijn dood zaten we hier aan deze tafel naar buiten te kijken. Het wad lag er prachtig bij. We spraken over boeken en over de dood. Ze wilden hem begraven in De Cocksdorp. Maar dat is prutgrond, heb ik Jan gezegd. Daar wil jij toch niet liggen. Jij hoort op De Hoge Berg, dat is grond waar de rendieren nog hebben gelopen in de voorlaatste IJstijd. Dáár hoor jij thuis. En zo is het gegaan.”

Jans weduwe Hanna neemt ons apart. Ze fluistert: ‘Toen hij te horen had gekregen dat hij kanker had, zei hij dat hij met een kajak de zee op wilde gaan om zo in alle eenzaamheid te sterven. Bijna dierlijk. Ik heb gezegd dat hij dat niet kon maken. Niet tegenover mij, maar zeker niet tegenover zijn twee zonen. Maar hij kon niet accepteren dat zijn lichaam die ziekte had gekregen, terwijl hij er naar zijn idee zo goed voor had gezorgd. En dat hij moest gaan, terwijl al die mensen met die dikke pensen, die vreten, roken en drinken, gewoon blijven leven.’
Er zijn mensen die zeggen dat de kanker bij Knippenberg een kans heeft gekregen omdat hij door zijn extreme inspanningen zijn weerstandsvermogen ernstig had verlaagd. Hanna: ‘Of het lopen zijn dood is geworden, dat weet ik niet. Maar hij vroeg natuurlijk wel erg veel van zichzelf. Hij zocht altijd de grenzen en als hij die had gevonden, wilde hij daar overheen. Uit een soort oerdrift.’

In zijn boek vraagt Knippenberg zich af: ‘Ik ging me na de route rond het IJsselmeer afvragen wat de zin was van dit voortdurend op weg zijn. Was het louter de bevrediging van een door wat voor oorzaak dan ook ontstane innerlijke behoefte of was het meer? Er lijkt in de aard van de mens iets te zijn dat hem rusteloos over nieuwe grenzen drijft. Instinct, cultuur, natuur: dit alles in een complexe wisselwerking.’

De begrafenis van Jan Knippenberg eind november 1995 op Texel moet een waarachtig spektakel zijn geweest. ´Ik zal ze laten lopen’, schijnt hij te hebben gezegd. En zo geschiedt. De kist staat op een platte kar die door een werkpaard wordt voorgetrokken, van het centrum van Den Burg naar het kerkhof op De Hoge Berg. Achter de kar een enorme stoet wandelende eilanders en overkanters. Een bijna middeleeuws tafereel waarbij tweehonderdduizend kilometer hardloperij ten grave wordt gedragen.

Vlak voor zijn dood schrijft Jan Knippenberg zijn allerlaatste column, op de oude, mechanische typemachine in zijn werkkamer onder de vuurtoren van Texel, met witte resten Tipp-Ex op de vingers. Het is getiteld: Only a hobo.

Bladstil. De wind is gebroken. In de verte ligt het wad, drooggevallen. Geen geluid. De lucht is strak. Gisteren gierden nog de buien en was de avond wit van sneeuw. Wat zich nu toont is een ander wit. Het wit van helderheid dat voorbij de feiten ligt. […] De eenvoud, de niet te beschrijven vergezichten en het koele, witte van de vroege ochtend. De serene rust wordt hier geëvenaard in een totaal ander landschap, maar geeft dezelfde dimensie. Zelden werd ik meer getroffen door een simpele weergave van nomadisme in een utopisch landschap. […] Uren zwerf ik, eerst noordwaarts als een magneet. Het springt zomaar in je kop: als ik m’n voeten laat rusten, stopt ook mijn geest met functioneren. Zo loopt een mens wel door. Dante, de dichter, verheerlijkte de menselijke gang en het ritme van het lopen, de voet, zijn vorm, de stap verbonden met de ademhaling en verzadigd van gedachten. Zo en niet anders. De vlakte stimuleert de geest.

Dan volgt een gedicht waarin de doodsstrijd en het levenspad van de zevenenveertigjarige stervende natuurmens elkaar ontmoeten:

Only a hobo

Gezworven had hij vele maanden
Nog verder in zijn doelloos denken
Dan zijn voeten konden dragen
Was zijn denken afgesleten
De tijd was hem geen vriend gebleken
Nauwelijks van stilstand spreken
Week hem slechts de horizon

Godverlaten draagt de wind
Zijn denken, rust zijn adem
Even uit.
In de vroegte langs de bermen
Staat al lang zijn diepe tred
In het zand geslepen, als zijn
Lichaam en zijn ziel uren verder
Wat is verder meer dan steeds maar gaan
Aaneengeregen tot een groots epos.
Zo simpel was hij teruggekomen
Thuis, een bed
Te zacht voor zijn gebroken rug.

’s Avonds zag hij toen zijn voeten
Wonderlijk zo dacht hij
Dat na jaren van steeds verder
’t Eerste wat hij nu moest doen
Denken aan zijn eigen lichaam
Rusten als een kind ontspannen
Doelloos rusten en de slaap zo
Laten komen
En het dromen weer begint
Maanlicht schijnt op zijn gezicht

Waarna zijn laatste woorden in druk volgen:

Intussen gaat het wad zijn onverstoorbare gang en ik staar bij volle maan nog altijd uit het raam. In stilte. De schoenen aan de kant, verdwenen eelt. De kajak opgeslagen in de kelder, doelloos. Nooit meer noordwaarts tussen ijs, schotsen en robben van Svalbard. Misschien hebben de bosjesmannen gelijk. Er is geen ziel in deze wereld. De wind waait onze voetsporen weg en daarmee is het afgelopen.

© 2007 uitgeverij L.J. Veen en auteur Dirk Jan Roeleven

Nawoord Martien Baars. Met dank aan Dirk Jan Roeleven en Jelte Nieuwenhuis (L.J.Veen) voor hun toestemming om het artikel over Jan Knippenberg hier op UltraNed te mogen publiceren.

Achilles01 is nog steeds te koop voor 12,50 euro in de boekhandel. Achilles02 verschijnt op 17 maart, voor dezelfde prijs. Velen kijken ook nieuwsgierig uit naar het eerste boek van Dirk Jan Roeleven: De nieuwe fiets. Dat zou in april verschijnen, eveneens bij http://www.ljveen.nl maar dat wordt wat later. Wel is er nog een hardloop-tussendoortje: in de nieuwe Runner’s World die donderdag 20 maart verschijnt, staat een interview van Dirk Jan Roeleven met Mikel Knippenberg.

 

 
[ top pagina ] - [ Kalender info ]